Het leed dat gym heet

Sporten is een fantastisch middel om te komen tot zelfkennis: je kunt je grenzen verleggen en hiermee jezelf ontdekken. Daarbij is bewegen gezond, goed voor je sociale contacten en is het zelfs een middel om gelukkig te worden. Dit omdat er bij het sporten een stofje vrijkomt in je hersenen die je gelukkig maakt. Allemaal mooie kanten van sporten, waarbij ik nu al veel positieve aspecten onbelicht laat. Mede daarom beginnen we al vrij vroeg met sporten en krijgen de leerlingen al in de basisschoolperiode gymles.

“Dat vond ik verschrikkelijk!”
Toch hoor ik regelmatig de negatieve kanten van sporten voorbij komen. Vooral de gymles moet het ontgelden. In Nederland zijn de gymlessen zo ingericht dat we de kinderen laten bewegen aan de hand van twaalf bewegingsthema’s, denk aan zwaaien, springen of balanceren. Bij zwaaien moeten de kinderen kunnen zwaaien met een touw of met de ringen; bij springen moeten de kinderen over een kast heen kunnen springen met een wendsprong of over de bok. Vooral het laatste bewegingsthema, springen, daar hoor ik veel over: “Dat vond ik verschrikkelijk!”

Misschien herkent u het bij uzelf terug, hoe u het vond om over de kast of bok te springen. En wat de rol van de (gym)docent of van uw medestudenten hierbij was. Niet dat ik hier nu de wijsheid in pacht heb en nu iedereen op de vingers ga tikken, omdat ik het allemaal goed heb gedaan, maar te vaak hoor ik dat mensen zijn afgeknapt op sporten vanwege negatieve ervaringen tijdens de gymles. “Ik moest die bok over, maar het lukte me niet!” Of “Ik belandde regelmatig tegen de kast, waarbij de (gym)docent mij ‘strafte’ in plaats van hielp.

De rol van (gym)docent is essentieel
Gelukkig worden de gymlessen steeds beter ingericht waarbij rekening gehouden wordt met verschil in niveau. Er staat dan niet één kast op één hoogte waar iedereen overheen moet, er staan er twee /drie waarbij de kinderen kiezen op een geschikt niveau kunnen oefenen. Daarnaast wordt ook steeds meer ingezet op samenwerking, waarbij kinderen elkaar helpen om het doel van de gymles te halen. De gymles wordt hiermee steeds meer een gezamenlijk proces, waarbij een gezamenlijk doel wordt nagestreefd. Een belangrijke voorwaarde is wel dat er een pedagogisch veilig klimaat heerst waarbij fouten maken geaccepteerd wordt en waarbij kinderen het normaal vinden dat de één verder is dan de ander. Daarin is de rol van de (gym)docent essentieel.

De gymles blijft dus gevaarlijk, want in de praktijk bestaat altijd de kans dat een kind beschadigd wordt en hierdoor niet een positieve stimulans krijgt dat bewegen vooral leuk is. Vooral in mijn spellessen, die ook worden gegeven tijdens de gymlessen, kwam dit naar voren. Veel kinderen waren niet aan het bewegen of mochten niet bewegen omdat het spel er zich niet voor leende. Denk aan het trefbalspel: kort gezegd kregen de goede bewegers de bal en de minder goede bewegers stonden er eigenlijk voor spek-en-bonen bij. Als dat gebeurt, is de kans dus groot dat een kind afknapt op sport en spel.

Het heeft bij die constatering bij mij een directe omslag gecreëerd. Ik ben direct anders gaan denken en spellen anders gaan benaderen. Ik liet vanaf dat moment vooral spellen aan bod komen die samenwerking en het denken stimuleerden, denk hierbij aan Hunebed-estafette of Mastermind. Per direct zag ik eigenlijk al een verandering bij de kinderen: de goede bewegers gingen anders bewegen en overleggen, de minder goede of verlegen bewegers voelden zich aangesproken om mee te doen. Een kind zei al snel tegen mij: ik vind gym weer leuk, want ik kan weer meedoen!

“Had ik vroeger maar zulke gymlessen..”
Ik heb deze successpellen gefilmd (wel toestemming gevraagd) en gedeeld op sociale media onder de naam De Spelles. Al snel bleek dat meerdere (gym)docenten behoefte hadden aan dit soort spellen waarbij om het doel te behalen, samengewerkt moest worden. Én dat iedereen beweegt en kán bewegen! Het resultaat was al snel tienduizenden volgers en aandacht vanuit de media (Jeugdjournaal). Ook mensen spreken mij nu aan: “Had ik vroeger ook zulke gymlessen gehad, dan had ik gym wel leuk gevonden!”

Dat raakte mij. Aan de andere kant was het ook een bevestiging dat ik met mijn spellessen op de goede weg ben. Nu geef ik nogmaals aan dat ik hier niet alle wijsheid in pacht heb en dat ik vind dat iedereen mijn lessen moet overnemen. Integendeel, ik pleit ervoor dat iedereen die gym- of sportlessen geeft, continu nadenkt over het leed wat je kunt veroorzaken als kinderen negatieve ervaringen krijgen in de gymles. En al gaan dingen vaak onbewust, we stimuleren het al snel door de verkeerde spellen aan te bieden. Denk daarom erg goed na welk spel je kiest en welke je toch achterwegen laat. Een grondregel is: beweegt iedereen en kán ook iedereen bewegen.

Laten we daarom elkaar erop aansporen dat we niemand de kans ontnemen om in de toekomst niet meer aan sport te doen, vanwege negatieve ervaringen in een gymles. Het gaat om plezier in spelbeleving, nadenken en vooral dat je met samenwerking verder komt dan alleen. Het gaat erom dat ieder kind zich geroepen voelt om te bewegen en ook kán bewegen. Laten we elkaar inspireren, elkaar motiveren en daarmee investeren in de toekomst.